Menu

Kamer 15 Carel Willink

Minder dan 1 maand per nacht: 1,200 Bath
1 maand of meer per nacht: 1,100 Bath
3 maanden of meer per maand: 24,000 Bath

Kamer 15, vernoemd naar de Amsterdamse schilder Carel Willink (1900 - 1983), is een kamer van 28 m2. De kamer is voorzien van enkel getrouwe kopieën door Carel Willimk en heeft verder een badkamer, kledingkast, airco, minibar, TV en een DVD- speler. Andere gemakken zijn een wel voorziene minibar, een haardroger, wekkerradio en een waterkoker.

Carel Willink 1900 - 1983

Willink, Albert Carel, schilder (Amsterdam 7-3-1900 - Amsterdam 19-10-1983). Zoon van Jan Willink, eigenaar van een garagebedrijf, en Wilhelmina Altes. Gehuwd op 27-4-1927 met Maria van der Meulen. Na echtscheiding (21-2-1930) gehuwd op 20-9-1933 met Wilma Henriëtte Johanna Jeuken. Na haar overlijden (25-4-1960) gehuwd op 17-2-1969 met Mathilda Maria Theodora de Doelder. Simon de pilaarheiligeNa echtscheiding (2-6-1977) gehuwd op 5-7-1977 met Sylvia Maria Elisabeth Quiel. Uit deze vier huwelijken werden geen kinderen geboren. Gestimuleerd door zijn vader, zelf amateurschilder, kreeg Carel Willink al vroeg belangstelling voor beeldende kunst. Zij bezochten musea en tentoonstellingen en schilderden soms samen landschappen. Enkele jeugdwerken zijn bewaard gebleven. Na de HBS doorlopen te hebben, ging Willink in 1918 bouwkunde studeren aan de Technische Hogeschool in Delft, maar in november 1919 brak hij de studie af. Om zich verder in het schilderen te bekwamen, probeerde hij toegelaten te worden tot de academie in Düsseldorf. Toen dat niet lukte, trok hij in 1920 naar Berlijn. Aan de Staatliche Hochschule, waar hij toegang kreeg, hield hij het slechts enkele weken uit. Daarna nam hij les op de particuliere academie van Hans Baluschek, een schilder van stadsgezichten in een gematigd realistische trant, die zijn leerlingen veel vrijheid gunde. De belangstelling voor de moderne stromingen die Willink al in Nederland had ontwikkeld, kreeg nieuw impulsen in Berlijn, in het begin van de jaren twintig een van de belangrijkste centra van avant-gardekunst. Naast het reeds gevestigde expressionisme manifesteerde zich een uiterst militant, maatschappijkritisch dadaïsme, terwijl ook het Russische constructivisme van El Lissitzky en de Italiaanse pittura metafisica van Giorgio de Chirico onder de kunstenaars in Berlijn furore maakten. Willinks werk uit de jaren 1920-1924, dat zeer gevarieerd is en afwisselend abstracte en figuratieve elementen bevat, bewijst dat hij ontvankelijk was voor de invloeden van de genoemde moderne stromingen. Zijn betrokkenheid bij de avant-garde kwam voorts tot uiting in zijn deelneming aan de tentoonstellingen van de Novembergruppe in Berlijn en zijn medewerking aan buitenlandse tijdschriften zoals Het Overzicht (Antwerpen) en Zenit (Belgrado). Daarin werden niet alleen werken afgebeeld maar ook curieuze, dadaïstisch aandoende prozateksten van zijn hand gepubliceerd. In 1923 teruggekeerd naar Amsterdam, ging Willink op deze voet door. Wel krijgen de figuratieve elementen in zijn schilderijen steeds meer de overhand, maar nog tot in de jaren dertig is de nawerking merkbaar van zijn avant-gardistische oriëntatie. Het cynisme en absurdisme van de Berlijnse dadabeweging schemert door in schilderijen zoals JobstijdingDe semafoor (1926), Late bezoekers aan Pompei (1931) en De terechtstelling (1933). Zijn stadsgezichten, stillevens en figuurstukken hebben de elegische of nostalgische sfeer van de Italiaanse metafysische schilderkunst, vooral van De Chirico en ook wel van Gino Severini. Uit dit amalgaam van invloeden ontwikkelde Willink na 1930 zijn karakteristieke kunst, uitgevoerd in een zeer realistische stijl, met veel aandacht voor de stofuitdrukking. Hij schilderde stadspleinen met negentiende-eeuwse bebouwing en landschappen waarin classicistische of neoclassicistische gebouwen en terrassen met verweerde stenen beelden baden in het schrille licht dat uit onweersachtige luchten valt. In deze toneelmatige wereld lijken de schaarse menselijke figuren als toevallige bezoekers terechtgekomen. De centrale thematiek van zijn werk heeft Willink later, in 1950, treffend aangeduid als 'de confrontatie met de nooit geruststellende, nooit geheel kenbare verschijningswereld, waarin het kleinste en meest vertrouwde voorwerp plotseling een vreesaanjagend onbegrijpbaar 'ding' kan worden, een wereld, vreemd en afschuwelijker in haar hooghartige geslotenheid dan de benauwendste angstdroom' ( De schilderkunst in een kritiek stadium, 58). Omstreeks 1930 werd Willinks reputatie als een van de belangrijkste Nederlandse schilders van zijn tijd gevestigd. Opvallend is dat vooral schrijvers zich zeer positief over hem uitlieten. Door zijn vriendschap met Eddy du Perron, die al in 1924 was begonnen, kwam hij te verkeren in de kringen rond het tijdschrift Forum. Hij illustreerde veel proza en poëzie, onder andere van Du Perron, Victor van Vriesland en Martinus Nijhoff. In de kunstkritiek werd Willink gerelateerd aan Pyke Koch, Raoul Hynckes, Wim Schumacher en Dick Ket. Hun werk werd aangeduid met de termen neo- en magisch realisme. De onderlinge verschillen zijn echter aanzienlijk, en de schilders hebben zich dan ook nooit nadrukkelijk als groep gemanifesteerd in tentoonstellingen of publikaties. In de late jaren veertig en de jaren vijftig, met het opkomen van nieuwe avant-gardebewegingen zoals Cobra en het abstract expressionisme, raakten de schilders van het magisch realisme uit de belangstelling. Willink met name werd met terugwerkende kracht gezien als een oorlogsprofeet, wiens werk na het passeren van de oorlog zijn belangrijkste bestaansreden zou hebben verloren. Tegen deze miskenning, mede op basis van een eenzijdige interpretatie, kwam hij in het geweer in polemische geschriften. Daarin hekelde hij het gebrek aan vakmanschap en aan gevoel voor traditie bij de jonge schilders. Koning JulianaHij vond ook dat hun kunst slechts een zwakke afspiegeling was van de avant-gardebewegingen uit de eerste decennia van deze eeuw, die hij intensief had meegemaakt, maar waarvan hij zich, zoals hij het nu voorstelde, had bekeerd. Lange tijd kreeg Willink weinig aandacht en waardering voor het werk dat hij maakte, al traden daarin wel nieuwe ontwikkelingen op en kreeg hij vele portretopdrachten uit vooraanstaande kringen, die hij op uiterst minutieuze, bijna fotografische wijze uitvoerde. In de jaren vijftig verschenen exotische dieren, zoals schildpadden, slangen en lama's, in zijn landschappen en stadsgezichten. Later deed hij inspiratie op in de beroemde tuinen van Bomarzo. De stenen monsters van Bomarzo confronteerde hij soms met oorlogsmaterieel of ruimtevaartuigen, daarmee een actuele betekenis verlenend aan de onheilspellende sfeer die zijn schilderijen in toenemende mate bezaten. In de tweede helft van de jaren zestig kwamen magisch realisme en surrealisme opnieuw sterk in de belangstelling. Sindsdien is Willink bekend geworden bij een breed publiek, mede door de extravagante verschijning van zijn derde vrouw, Mathilde, die op een aantal schilderijen figureert. Zijn laatste werk maakte hij in 1982. Willinks oeuvre omvat naast tekeningen ruim 300 schilderijen, waaronder een aanzienlijk aantal zelfportretten, portretten van zijn vrouwen en vrienden en portretten in opdracht. Hij is vertegenwoordigd in talrijke particuliere verzamelingen alsmede in musea in binnen- en buitenland.

Villa Oranje Chiang mai banner